maandag 10 mei 2021

Gasten

Afgelopen week, het gebeurde ineens, verslaafd geraakt aan het liedje Gasten van de West-Vlaamse band Het Zesde Metaal. Een paar avonden achter elkaar zocht ik het op in Spotify, las de tekst mee en draaide het dan nog eens en nog eens. Iets bleef me trekken.

'Maar ik ken de weg nog naar min roots en d' uren van de treins.' De sleutelzin, bleek zondagochtend. Koffie en weer eens luisteren en meelezen. En de beelden kwamen. Uren in de trein, Amsterdam uit, overstappen in Amersfoort, de IJssel over en het gevoel terug te gaan naar een leven dat ik ooit leefde, waar ik pas laat durfde uit te spreken iets te willen doen met schrijven, of met nieuwe media of met popmuziek, of met weet ik veel, iets creatiefs. Iets, in het westen.

Uren in de trein en terug naar m'n ouders in het dorp, even kijken bij de basisschool die al lang een andere naam heeft en langs de velden van de voetbalclub waar ik te lang hoopte ooit de overstap te kunnen maken van de Derde Klasse Zaterdag Noord naar volle stadions, eerst in Nederland en dan in Italië. Daar op de club, altijd die gasten, die 'veel te goe' kerels'. Een aantal in dezelfde basisschoolklas, minstens drie keer per week in touw, in 4-4-2, maar vaker 4-3-3 opstelling. In kleedkamers, op de buik door de blubber na een niet afgelaste training, in een sliert auto's door de Noordelijke provincies. In vakantieparken, in kantines, in derde helften die veel langer duurden dan de wedstrijden. Lang wist ik het bier te weerstaan, maar uiteindelijk geef je toch op en werd het nog leuker, zo was 't wel. 'W'gaan der nog vele meugen drinken voorda' w' al 't verloren vocht kunn'n compenseren.'

Een jaar en twee maanden geleden was ik voor het laatst in het dorp, op de club nog langer geleden, 'al veel te lang geleden'. Het verwatert en verandert uiteindelijk toch allemaal, hoeveel jaren je er ook hebt liggen, hoeveel wedstrijden je ook hebt gespeeld, hoeveel je ook hebt gevloekt bij weer een mislukte actie op de rechterflank en ''k zoe beter toch nog ne keer gaan.'

De laatste keer een mini-reünie, in de zomer, de club bestond 50 jaar, terug met m'n grote broer. Er werd gebarbecued, een zanger bij een aanhanger deed iets met instrumentale muziek uit een laptop. Bier uit glazen, iedereen op het terras bij het hoofdveld dat geleden had onder het seizoen en het afsluitende mixtoernooi. Met een jeugdtrainer sprak ik over de lichting F'jes van de begin jaren '90 en over Amsterdam.

Lang niet iedereen was er, meer waren vertrokken en wisten dat 'we nu voe mekaar te treffen masse omme moesten rien.' Maar ik was blij dat hij er wel even was, zoals ik altijd blij was als hij er was als ik weer eens terugkwam. Een goede gast, ontmoet in groep 2, hij had z'n zwemdiploma's al en bleef altijd een kop groter. Na schooltijd voetballen, naar huis fietsen en hutten bouwen op een stuk boerenland waar nu gezinnen wonen. Die laatste ontmoeting voelde vertrouwd, ook al waren we geen echte vrienden meer. De afstand was te groot geworden, we spraken elkaar te weinig en wisten steeds minder van elkaar. Misschien was ik daar toen het minst rouwig om, enorm bezig mezelf aan de andere kant van het land opnieuw uit te vinden. 'K hope da' j' 't mie vergeeft.' 

Nog regelmatig denk ik ineens aan 'm. Mooi, toch. Bij een voetbalwedstrijd op televisie, bij het luisteren van een West-Vlaams liedje, bij een steek in de maag. Het zal ook de leeftijd zijn, we scheelden maar een maand.

Het was m'n vader die het doorbelde, vorige maand al weer twee jaar geleden. Ik zat op kantoor in Hilversum, te schrijven aan iets. 'De mens'n in 't dorp, ze waren der van aangedaan.'




 

Geen opmerkingen:

Een reactie posten